Zoon in het ziekenhuis

Ik rende in een wapperjurk op blote voeten de ochtend in. Net op tijd om de container aan de straat te zetten. Hallo dinsdag. 

De grond onder mijn voeten, de ochtendzon op mijn huid, de dinsdag: dit moet betekenen dat maandag 9 mei definitief achter de rug is. Dat is maar goed ook, die maandag moest geen seconde langer duren dan hij deed. 

Een zoon in het ziekenhuis… 

We weten nog steeds niet wat Jip scheelt. Hij slaapt erg slecht, wordt nooit uitgerust wakker, heeft altijd hoofdpijn, altijd buikpijn, kan niet ruiken. Het begon toen hij met 10 in de puberteit terecht kwam en ineens razendsnel groeide, 20 cm in een jaar, maar een verklaring voor waarom het zo slecht met hem gaat dat hij al maanden niet naar school kan hebben we niet. 

De kinderarts in het UMCG besloot dat het de kortste klap was Jip een week op te nemen, zodat hij geobserveerd kan worden en er in korte tijd veel verschillende mensen naar hem kunnen kijken en ze samen hopelijk tot een conclusie kunnen komen. Een neuroloog, een fysiotherapeut, een psychiater, een kno-arts, een kinderarts die ook hoofdpijndeskundige is. Samen gaan ze proberen te achterhalen wat er met Jip aan de hand is. 

Gisteren hadden we de eerste gesprekken, de eerste sessie bij de fysiotherapeut. Allemaal prettige, kundige mensen daar, in elk geval zo op het eerste gezicht. Ze zetten hun tanden erin. Eh, waarin? Nou, in ons, zo voelt het. Ik voel me een afgekloven botje. We haalden zo veel mogelijk alles naar boven, alles wat maar van belang zou kunnen zijn en geloof me, dat is intensief. Het is precies 2 jaar geleden dat ik zelf het ziekenhuis inging voor een paar hele grote operaties. Ik kan me er wel zorgen over maken of dat hele grote gebeuren rond mijn May Thurner Syndroom niet toch ook zijn weerslag op Jip heeft gehad. Hij zegt zelf van niet, maar ja, hoe diep is die grond onder dat stille water? En wat ligt er op de bodem? Of is het daar werkelijk zo helder en zuiver als het overkomt en is er alleen een lichamelijke oorzaak? Maar welke dan? 

Enfin, we moeten er maar even doorheen, deze week, en hopelijk weten we dan meer, kan Jip weer weer zijn oude leven oppakken. Daar zijn we aan toe met ons allen. 

Dapper lachen en hops, maar weer door… Ook dit kunnen we.

20 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Pom, een klein oranje-wit verhaal van de liefde

Dag Pom, 

Daar was je ineens, een schichtig wit katje met oranje vlekken en je leek onze tuinbank gekozen te hebben als je nieuwe thuis. Je was verfomfaaid, je vacht was vies, je stonk, er zat amper beweging in je, behalve als we te dicht bij kwamen, dan zorgde je wel dat je weg kwam. Niet echt een kat om verliefd op te worden zou je zeggen, maar toen je me aankeek was ik verkocht. 

‘Als je van mij was, zou ik je erg missen,’ dacht ik, dus nam ik de tijd je aan me te laten wennen, zodat ik dichtbij genoeg kon komen voor een duidelijk foto. (Oh my, die ogen…) Je foto zette ik op twitter met een oproep om je eigenaar te vinden. Die oproep werd ontzettend veel gedeeld, maar er kwam geen reactie op. Ik zette je foto op Amivedi, op facebook op een site voor vermiste en gevonden katten, maar niemand miste je. Ik wilde je meenemen naar de dierenarts om te kijken of je gechipt was, maar hoe gingen we je daar krijgen als je zo schuw was? We zouden je vertrouwen moeten winnen om dat voor elkaar te krijgen. 

Intussen zagen we je magerder worden. Ik wilde niet zomaar andermans kat bijvoeren, maar een dier laten creperen kon ik ook niet. Ik maakte een soort nest op de tuinbank, een beetje beschutting tegen de kou, en gaf je wat voer. Hemel, wat had jij honger…

Ik bedacht dat je wellicht niet vermist werd omdat je dichtbij woonde. Je kwam misschien best nog wel eens thuis. Hoe kon ik daar achter komen? Ik deed je een bandje om met een boodschap erin: ‘Ben jij mijn baas? Mail dan naar…’, maar niemand die me, verbaasd je plots met een bandje om te zien, mailde. 

Je sterkte aan. Je kreeg weer de kracht om voor jezelf te zorgen, jezelf te wassen en wat werd je vacht mooi glanzend. Langzaam wende je. Was je ooit eerder geaaid? Op schoot geweest? Opgetild? Geknuffeld? In een huis geweest? Ik denk het niet. Alles lijkt nieuw voor je, maar je verwelkomt de aandacht net zo hard als het voer. 

We durfden het lang niet je een naam te geven, maar nu je inmiddels weken op de tuinbank woonde, je plek in de buurt bevochten had, vriendjes was met Lux en ons volkomen ingepakt had – hoe ontroerend kun je zijn, Pom?- werden we het eens over je naam. Jij heet Pom. Een perfecte naam voor koosnaampjes: Pommie, Pommetje, Pomptidom, Pomkat, Pommepoes, Pomodori. 

Afgelopen dinsdag lukte het je in het kattenmandje te lokken. Ik belde snel de dierenarts dat we eraan kwamen, we waren hartstikke blij dat het gelukt was je te vangen zodat we eindelijk je chip uit zouden kunnen laten lezen en toen brak je los. Houdini, jij. Het werd wel duidelijk dat we je nooit meer in dat mandje gingen krijgen, maar hoe kregen we je dan bij de dierenarts? Uiteindelijk verzonnen we een constructie met een fietskrat, een doorzichtige plastic deksel, een fietsspin en dan ook nog een extra band eromheen gestrikt. Alledrie verhit en buiten adem kwamen we aan bij de dierenarts, waar je zo mak als een lammetje was. En nee, je had geen chip. ‘Geboren op een boerderij en weggelopen,’ vermoedde de dierenarts. Voor haar was het wel duidelijk, je had geen eigenaar. Of ze je dan maar op ons adres in moest schrijven… Anderhalf ben je, we mochten een verjaardag voor je verzinnen: 3 september (toch al een feestdag hier). En zo reden we met een zwerfkat naar de dierenarts en met onze eigen kat weer naar huis.

Lieve Pom, welkom thuis. 

     
    
  

11 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Papieren roosjes

Ik groeide op in de Achterhoek. Ik weet niet of ik het er minder geheimzinnig had gevonden als mijn wortels daar gelegen hadden, maar nu, als import-Achterhoekse, kon ik me verwonderen over de gebruiken. Zo stonden er eens per maand bij veel mensen in de buurt stapels bierkratten met lege bierflesjes – Grolsch natuurlijk – naast de voordeuren. Die kratten werden vervangen door kratten met volle flesjes: de werknemers van de Grolschfabriek werden deels in bier uitbetaald. 

Op kerstavond kwam er een groepje mensen aan je deur om kerstliedjes te zingen. Vaak in een wat beschonken staat, want ja, het was koud, de kerstzangers konden wel een warmhoudertje gebruiken. 

Werd er een baby geboren, verscheen er een waslijn met babykleertjes in de voortuin. 

Trouwde er iemand of was er een stel 12,5 jaar getrouwd, dan kwamen de dames uit de buurt samen om papieren roosjes van crêpe-papier te maken. Ik mocht wel eens meehelpen, meisje tussen de vrouwen. Stoelen met rieten zittingen, roddels over en weer. Ik vouwde braaf mijn roosjes voor aan de boog voor het huis van het bruidspaar, vroeg me af of ik dat ook ooit zou krijgen, een boog van roosjes met zo’n mooi bord ‘hulde aan het bruidspaar’ in het midden. 

Vandaag hád het gekund, maar tegenwoordig geef ik minder om voorgedrukte papieren bordjes met ‘hulde aan het 12,5 jarig echtpaar’ erop. 19,5 jaar zijn we samen vandaag, 12,5 jaar getrouwd. 

Wat we wel deden: Rinke won kaartjes voor het festival Cross-Linx in Groningen, daar gingen we zondag naartoe. Terwijl we daar waren, met ons tweetjes, besefte ik dat het festival een goede samenvatting was van hoe het de afgelopen jaren was voor ons, tussen ons. We zagen Neil Finn, goed, melodieus en zo vertrouwd (hij speelde zelfs ‘ons liedje’ Message to my girl nog), zoals het doorgaans is tussen ons. We zagen de bijzondere Londense marching band Perhaps Contraption met hun grote hang naar vrijheid (o, mijn grote hang naar vrijheid). Het experimentele On Fillmore dat toonde dat je prima heel verschillend kunt zijn en tóch samen kunt spelen. Zelfs compleet verschillende muziekpartijen blijken best naast elkaar, door elkaar gevlochten op 1 podium te kunnen bestaan (moet je wel heel goed naar elkaar blijven luisteren). We zagen Son Lux met hun indringende You don’t know me (‘You see my face in the stars, you write my name on your walls but you don’t know me…’ Zelfs na 12,5 jaar huwelijk moet je er nog wel eens achter komen: ‘Ik wist dit niet van je… Is dít werkelijk wat je wil? Denk je hier echt zó over?’ We zagen Emily met haar harp Ogden, zo lieflijk, zo mooi, maar we gingen ook al snel weer verder, want lieflijk en mooi, dat is leuk, maar is hard geraakt worden niet wat we het liefst willen? Dat gebeurde bij the Notwist, die we amper kenden, waardoor het des te merkwaardiger was dat hun optreden ons zó hard raakte. Ze brachten hun album Neon Golden in zijn geheel. We zagen al veel optredens, maar nog nooit werden we er door 1 zo meegesleurd als door deze. De melancholie, schoonheid, magie… Maar 1 keer eerder maakte ik het mee dat ik huilde bij een optreden (van The Breeders op Parkpop notabene, nog voor ik Rinke ontmoette), nu gebeurde het weer. Niet tegen te houden. En ik zag dat het bij Rinke net zo hard binnen kwam.

Wat leerden we de afgelopen jaren? We leerden minder bang te zijn. We leerden dat we niet hetzelfde zijn, maar wel goed samen kunnen zingen. Dat we samen mooie dingen kunnen maken, van kinderen tot tekeningen. We leerden dat het leven je nooit met rust laat en dat dat soms verrot is, maar hoe saai zou het zijn als je huwelijk alleen bestond uit lieflijke harpmuziek met mooi meisjesgezang? 

Ik hou van je, Rinke!

19,5 jaar geleden: hij een bleu jongetje, ik je tante.

 

12,5 jaar geleden: net getrouwd!


 

Laatst.

  
  

19 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

In een dierentuin, onder een verzorgingshuis.

In een dierentuin, onder een verzorgingshuis, sprak ik vandaag met een rog. Ik weet niet of je wel eens te maken hebt gehad met roggen, maar het het (b)lijken bijzonder invoelende aanhankelijke types. De rog in kwestie was zwart met witte stippen en lichtblauwe ogen. Het liefst wilde hij op schoot, maar er zat nog een ellendig dikke ruit tussen hem en mij. Hij wist bovendien niet wie hij liever vond, Rinke of mij, zwom heen en weer tussen ons, kuste en aaide het glas waarachter we zaten. Hij wilde het liefst zo dichtbij mogelijk. Eigenlijk hoopte hij op adoptie denk ik. Ik sprak zo lang met de rog, gehurkt voor zijn glazen kooi, dat ik sterretjes zag toen ik weer overeind kwam. 

Er was nogal veel te bepraten. Een paar verdiepingen boven de rog deed mijn schoonvader een dutje. Morgen is hij jarig en hij was wel even klaar met de visite. Het verzorgingshuis is een tussenstop voor hem, na weken ziekenhuis. Hij komt er even op adem, wacht op een hersenoperatie. Het valt niet mee hem zo te zien. Wat een weg legt hij af. En ik hou van die man, ik gun het hem zo weer te kunnen lopen. Daar is die operatie voor nodig en die is natuurlijk hartstikke spannend. Dat vertelde ik de rog. Hij knipperde begripvol met zijn ogen. 

En dan die mooie zoon die vol zin en goede moed naar de verjaardag ging, blij zijn pake en beppe weer te zien. Ik zag het gebeuren, hij zakte steeds verder weg in teveel pijn en moe daarvan zijn en er was niks dat ik eraan kon doen. Mijn eigen pijn kon ik tenminste nog wat wegslapen, opgekruld in de stoel van mijn schoonvader, maar Jip kan niet slapen, voor hem kon ik niets doen. Zo droevig. En het duurt maar en het duurt maar…  De verwijzing naar de specialist in het universitair ziekenhuis in Groningen is binnen, maar wanneer er plaats is… Ik vrees dat we nog behoorlijk wat geduld zullen moeten hebben. De rog zuchtte: ‘Het is wel een beetje veel, niet?’ ‘Dat is het, rog, machteloosheid is een moeilijk iets.’ De rog staarde naar het dikke glas en zei: ‘Dat begrijp ik… Maar weet je, op het eind komt het altijd goed. En als het nog niet goed is, dan is het nog niet het eind. Ga nu maar bij het zeepaardje kijken, die is verdomd grappig als hij je recht aankijkt.’ Daar had hij gelijk in, dus ik neem aan dat de rest van wat hij zei ook klopte. 

  

7 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Goedemorgen, zee. 

Het was zondagochtend en de zee riep. Ze riep: ‘Kom uit je bed, haal éclairs – die met koffie, ja – bij de patisserie precies tussen jou en mij in en kom, kom naar mij toe. Ik laat mijn golven voor je over de stenen rollen, tegen de rotsen slaan, ik zal glinsteren en ruisen. Kom.’ 
Als je zo geroepen wordt, moet je wel luisteren. 

 

Zie je de zee, tussen de huizen door? En de patisserie bij het neonlicht?


  
    
          

  
  

   
 
    

    

    

    

   
   

  
  
 
 
 

7 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Nice, zaterdag.

De beste manier om zijn verjaardag te vieren leek mijn vader toch wel samen met zijn kinderen en kleinkinderen, bij zijn zoon thuis. Op zich geen rare wens, maar zijn zoon, mijn broertje woont met zijn vrouw en twee kinderen in Nice, Zuid Frankrijk. Wij zouden dus naar Nice moeten vliegen. ‘Ik betaal,’ zei mijn vader. ‘Zaterdagochtend heen, zondagavond terug.’

Jemig… Wat een kans… Met ons allen samen zijn, voor het eerst ons nichtje (van inmiddels anderhalf) zien, eindelijk ons schoonzusje na jaren weer zien… En wat zou het geweldig zijn als neefje Jonas ons kon laten zien waar hij woont. 

Het werd wel een wat belachelijke onderneming: om 1.45 uur de hele Santenkraam wekken om op tijd op Schiphol te zijn en het zou voor mij en Jip lichamelijk zwaar worden, maar we besloten de beren op de weg maar niet de overhand te geven. En toen hadden we zomaar het bijzonderste weekend ooit. 

We reisden midden in de nacht naar Schiphol door storm en regen, hadden een prachtige vlucht en donderden in Nice zo in de armen van mijn vader, zijn lieve vriendin Christine en Jonas. ‘Palmbomen…’, zuchtte Nisse. 

Met ons allen aan tafel, nichtje Marisa knuffelen, een dutje op het balkon waar ik een matras naartoe gesleept had, socca eten in de oude binnenstad… En dan hadden we nóg een dag! (Voor in een volgend logje.)

 
       
 
      

 

 
   
   

 

       

    

    

 
   

  

 
  

    

  

  

   
 

8 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Een man van 12.

Er was eens een reus. Nee, er was eens een jongen. De jongen werd geboren en zijn moeder verbaasde zich. Ze keek in zijn ogen die de hare voor het eerst zochten en dacht: ‘Maar wacht, jij bent toch net geboren? Hoe kun je dan kijken alsof je de wereld al kent? Hoe oud ben jij eigenlijk?’ Als ze hem aankleedde verontschuldigde ze zich soms: ‘Sorry, ik snap dat je dit liever zelf zou doen, maar dat kan je nog niet. Raar hè, zo’n klein lijf, het klopt niet helemaal.’ 

‘Wanneer zou hij toch eens gaan kloppen bij zijn leeftijd?’, vroegen zijn ouders zich af. Ze kenden meer kinderen van zijn leeftijd en die pasten allemaal, maar hij, nee… 

Het was niet dat ze een vervelend kind aan hem hadden, integendeel, hij mocht dan niet goed bij zijn leeftijd passen, hen paste hij prima. Op school paste hij dan weer niet helemaal. Hij werd getest en bleek hoogbegaafd. Aha, dat verklaarde een boel. Hij groeide ervan, meer op waarde geschat te worden op school, extra uitdagingen te krijgen. 

Verder groeide hij ook. Nogal. Van klein kind af aan had hij geregeld naast zijn moeder staan springen: ‘Ik kom tot je schouders als ik spring, ik ben bijna even groot als jij!’, ineens wás hij even groot als zij. En groter nog. De jongen was zeer tevreden, hij had zijn doel behaald. De moeder was verbaasd. Ze wist heel goed hoe jongens van zijn leeftijd eruit moesten zien. Níet zoals hij. Het leek wel alsof er ineens een man bij haar in huis woonde. Hij stak anderhalve kop boven zijn vriendjes uit. Vriendjes die hele kleine jongetjes leken vergeleken bij haar zoon. Nu ja, dat was helemaal niet erg, hij zat schijnbaar volop in zijn puberteit en ach, hij paste toch al nooit bij zijn leeftijd. 

Toen hij van de basisschool afging vergiste zijn moeder zich steeds. Ze had het met hem over studeren en in welke stad dan, welke studie. Maar wacht, hij moest eerst nog even de middelbare school doen, al zag hij eruit alsof hij ook al wel naar de TU in Delft kon en praatte hij ook zo. Verwarrend. 

En daar ging het mis. Hij was al veel ziek in groep 8, maar ach, hij kon de stof makkelijk aan, het maakte niet zoveel uit dat hij wel eens een dag school miste. Vaak was hij moe. ‘Wat wil je ook als je zo hard groeit?’, zeiden zijn ouders en hij grinnikte, want hij vond groeien leuk. Maar dat lachen verging hem toch wat toen in de eerste weken op de middelbare school al bleek dat hij het niet volhield. ‘Je moet naar school!’, riep zijn vader. ‘Probeer het nou toch, lieffie… Als het niet lukt kan je altijd nog naar huis komen.’ ‘Maar als het nú al niet lukt?’, huilde de jongen. Zijn ouders deden herhaaldelijk pogingen dat grote lijf waar op de slechtste momenten geen beweging inzat aangekleed te krijgen terwijl de jongen snikte en zijn moeder een verdrietig ‘Snap je het dan niet dan?’ in zijn ogen las. En ze wist wel dat het al raar was geweest, bijna ongepast hem als baby aan te kleden, maar nu, nu nog veel meer. Ze staakten dat gevecht dus maar en accepteerden: er is echt iets aan de hand met onze zoon.

Maar wat wás er dan met de jongen? Waarom sliep hij zo slecht? Waarom had hij zoveel hoofdpijn? Waarom was hij vaak te zwak om zijn zware stem – hij kreeg de baard al in de keel toen hij nog geen 11 was – op normaal volume te laten klinken? Waarom rook hij niets? Waarom zag hij vaak wazig? Waarom zei hij zo vaak: ‘Alles doet me pijn…’ 

Via een dwaalspoor aan artsen kwamen de jongen en zijn moeder bij een kinderarts terecht. Even leek er een communicatieprobleem te zijn, verstond hij alles wel wat ze zeiden? Maar de arts bleek alles zo secuur mogelijk te willen doen, hij wilde een compleet beeld krijgen van wat er met de jongen loos was. En toen bleek dat deze arts het juist heel goed snapte. Al de klachten van de jongen duiden erop: het moet een probleem in de hypofyse zijn. De hypofyse zorgt voor een aanmaak van teveel groeihormoon lijkt het. Zijn ouders hadden het goed, de jongen klopt niet bij zijn leeftijd, hij is feitelijk al een man. Een man van 12. 

‘Ik had de kleine lettertjes moeten lezen toen ik zo graag wilde groeien…’ zei de jongen en lachte hoofdschuddend.  

14 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized